Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AT7819

Datum uitspraak2005-06-09
Datum gepubliceerd2005-06-23
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/6085 WUV
Statusgepubliceerd


Indicatie

Weigering half-zigeuner gelijk te stellen met vervolgde in de zin van de WUV. Is er sprake geweest van een reëele onderduiksituatie in WO II?


Uitspraak

03/6085 WUV U I T S P R A A K in het geding tussen: [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, en de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Onder dagtekening 31 oktober 2003, kenmerk JZ/Z60/2003/0867, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgings-slachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet). Tegen dit besluit heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Heerlen, als gemachtigde van eiser bij de Raad beroep ingesteld. In een aanvullend beroepschrift, met bijlagen, is uiteengezet waarom eiser zich met het bestreden besluit niet kan verenigen. Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Namens eiser is vervolgens nog een stuk ingezonden. Het geding is, gevoegd met het geding tussen eiser en de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad onder nr. 04/525 WUBO, behandeld ter zitting van de Raad op 28 april 2005. Aldaar is namens eiser verschenen zijn gemachtigde mr. Van Berkel voornoemd, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door J.A. Groeneveld, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. MOTIVERING De Raad verwijst vooreerst naar zijn eerdere uitspraak tussen partijen van 22 mei 2003, nr. 02/2529 WUV. In die uitspraak heeft de Raad onderschreven het standpunt van verweerster dat in het geval van eiser, die half-zigeuner is, onvoldoende grond bestaat om aan te nemen dat tijdens de oorlogsjaren sprake is geweest van een reële onderduiksituatie in de zin van artikel 2 van de Wet. Daartoe heeft de Raad van beslissende betekenis geacht dat eisers ouders, die vanaf 1 juni 1943 sedentair gevestigd waren op adressen in Beek en Sittard, zich op 1 juni 1944 hebben laten overschrijven naar het adres [adres] te Weert en dat de moeder van eiser op 5 augustus 1944 persoonlijk een nieuw persoonsbewijs in ontvangst heeft genomen. In juli 2002 heeft eisers gemachtigde zich gewend tot verweerster met het verzoek om eiser op grond van zijn oorlogservaringen en zijn daaruit voortgevloeide psychische klachten met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde gelijk te stellen. Dit verzoek heeft verweerster afgewezen bij besluit van 16 juli 2003, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit. Daartoe is overwogen - samengevat - dat, in aanmerking genomen dat reeds is vastgesteld dat van een reële onderduiksituatie geen sprake is geweest, eisers oorlogservaringen niet zijn aan te merken als met vervolging in de zin van artikel 2 van de Wet vergelijkbare omstandigheden. De Raad overweegt als volgt. Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wet, voorzover hier van belang, is verweerster bevoegd om de persoon die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 in omstandigheden verkeerde welke overeenkomst vertonen met vervolging, met de vervolgde gelijk te stellen indien het niet toepassen van de Wet een klaarblijkelijke hardheid zou zijn. Deze bevoegdheid is discretionair van aard. Dit brengt mee dat de Raad een op grond van die bevoegdheid genomen besluit slechts terughoudend kan toetsen. Ter ondersteuning van zijn verzoek heeft eiser doen wijzen op dezelfde omstandigheden als reeds ten grondslag gelegd aan zijn eerdere aanvraag. Gelet op hetgeen de Raad terzake heeft vastgesteld in zijn hierboven genoemde uitspraak, met conclusie dat in eisers geval van een reële onderduik geen sprake is geweest, acht ook de Raad die omstandigheden niet op een lijn te stellen met vervolging in de zin van artikel 2 van de Wet. Ook overigens is de Raad, gelet op hetgeen namens eiser is aangevoerd, niet kunnen blijken dat het bestreden besluit de bovenomschreven rechterlijke toetsing niet kan doorstaan. Voor vernietiging van dit besluit bestaat dan ook geen grond. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten. Beslist wordt derhalve als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Verklaart het beroep ongegrond. Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Dissel-Singhal als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2005. (get.) C.G. Kasdorp. (get.) A.D. van Dissel-Singhal.